Maar eerst moest de vraag ‘Wat is digitale poëzie’ worden beantwoord. Het enige vereiste voor digitale poëzie is dat het is gemaakt met computers en dat het alleen met computers kan worden vertoond, luidde de conclusie al snel. Voor het overige zijn de vrijheid en de mogelijkheden voor de dichter eindeloos – al leidt dit tot een zekere passiviteit bij de lezer. In Slaaplied van Tonnus Oosterhoff bijvoorbeeld. Daar verschijnen en vervagen delen van het gedicht tegen een witte achtergrond, op de maat van pianomuziek van Bach. Sommige woorden verschijnen slechts enkele seconden op het beeldscherm. Daardoor wordt de lezer de mogelijkheid ontnomen om zelf het leestempo te bepalen, of het gedicht nog eens terug te lezen. Misschien zelfs, kan de lezer hier beter ‘toeschouwer’ worden genoemd.
donderdag 28 januari 2010
Poëzie wordt een filmpje, de dichter een visueel artiest
Maar eerst moest de vraag ‘Wat is digitale poëzie’ worden beantwoord. Het enige vereiste voor digitale poëzie is dat het is gemaakt met computers en dat het alleen met computers kan worden vertoond, luidde de conclusie al snel. Voor het overige zijn de vrijheid en de mogelijkheden voor de dichter eindeloos – al leidt dit tot een zekere passiviteit bij de lezer. In Slaaplied van Tonnus Oosterhoff bijvoorbeeld. Daar verschijnen en vervagen delen van het gedicht tegen een witte achtergrond, op de maat van pianomuziek van Bach. Sommige woorden verschijnen slechts enkele seconden op het beeldscherm. Daardoor wordt de lezer de mogelijkheid ontnomen om zelf het leestempo te bepalen, of het gedicht nog eens terug te lezen. Misschien zelfs, kan de lezer hier beter ‘toeschouwer’ worden genoemd.
woensdag 7 oktober 2009
Tussen Taal en Beeld
Taal als taal of taal als visuele kunst
Ferdinand KriwetRundschreibe Nr. 5
Taal als gereedschap
Ik moet het belang van de vernieuwende ordeningsprincipes van de beeldende kunst even laten rusten en me geheel richten op de noodzaakde taal als gereedschap te erkennen.
Oppervlakkig gezien zou je kunnen zeggen dat die erkenning er wel is.
Bij nadere beschouwing blijkt dat taal voor veel mensen een verschijnsel is waarvan ze zich weliswaar dagelijks bedienen maar dat tegelijkertijd een enorme belemmering kan betekenen.
Veel mensen houden in een vergadering liever hun mond of laten ze zich platpraten door beter van de tongriem gesneden soortgenoten. Anderen voelen zich niet bij machte iets aan het papier toe te vertrouwen ondanks het feit dat ze wel kunnen schrijven.
Toch leven we in een maatschappijwaar alle mogelijke communicatiemiddelen, technisch gezien, tot grote hoogte ontwikkeld zijn.
Is het zo dat die technische ontwikkeling van de media geen gelijke tred heeft gehouden met de inhoud?
Een technische ontwikkeling voltrekt zich geheel op zichzelf gericht.
De uitvinding van een nieuw materiaal lokt een nieuw apparaat uit nog voor het nut en noodzakelijkheid ervan vastgesteld is..
zondag 6 september 2009
Taal
Taal is een raar fenomeen. We gebruiken het allemaal, maar we zijn er niet altijd even zuinig op.
Laatst nog gehoord in de trein. ‘Tja, weet je, ik zeg maar niets. Want voor dat je het weet heb ik mijn mond voorbij gepraat en daar heb ik eerlijk gezegd geen zin in.’
Wat zei de vrouw in kwestie eigenlijk? Juist, niets. Maar daarvoor had ze wel heel veel woorden nodig. Over dit soort verschijnselen gaat Taal is zeg maar echt mijn ding van columniste Paulien Cornelisse.
Het boek beschrijft bijvoorbeeld herkenbare taalfenomenen als ‘om eerlijk te zijn’. Wie dat zegt, bedoelt niet dat hij of zij de rest van de tijd liegt. Nee, het betekent eerder let op, nu komt slecht nieuws. ‘Om heel eerlijk te zijn vind ik je trui best wel lelijk.’
Meer dan tweehonderd bladzijden lang nagelt Cornelisse taalverkrachters aan de schandpaal, overigens zonder zichzelf te sparen. Foute taal bezigen doen we allemaal, zo weet ze.
Nog een voorbeeld? Haar boek beschrijft het tenenkrommende gebruik van het woord ‘mooi’ om etenswaren te beschrijven. Zoals Herman den Blijker constant doet als hij het over koken heeft. ‘Kijk, dat is een mooi stukje vlees.’ Lekker misschien, goed gekruid of mals, maar mooi?
Wie bij deze voorbeelden de schouders ophaalt, moet Taal is zeg maar… vooral niet kopen. Maar wie uitslag krijgt van een collega die ‘goeiemochel!’ roept of gek wordt van het volgende ‘verandertraject’ op de afdeling: kopen dit boek. Kan via de link hieronder.